Elk gen staat in voor een bepaalde eigenschap van het organisme. Alle genen samen vormen het genoom en staan in voor het geheel van eigenschappen die erfelijk zijn vastgelegd. Het gedrag van het organisme (de genoomdrager) wordt deels door deze aangeboren eigenschappen bepaald.
Genen worden geselecteerd of geëlimineerd op basis van hun code. De code van het volledige genoom staat in voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme en bepaalt dus het erfelijk vastgelegd deel van het organismegedrag.
De term overlevingsgedrag is minder misleidend dan overlevingsstrijd, omdat men onder strijd vooral de ‘strijd met andere organismen’ verstaat. Terwijl het in feite een strijd met de natuur is. Naarmate de evolutie gevorderd is, heeft deze ‘strijd met de natuur’ geleid tot de ontwikkeling van sociaal gedrag.
De tabel geeft een overzicht van de soorten biologische functies met hun onderlinge samenhang. De biochemische verklaring van hoe deze functies werken, wordt bestudeerd in de fysiologie. Het functioneren van organismen wordt bestudeerd in o.a. de ethologie (gedragsleer) en psychologie.
Andere fysische functies bij de dieren zijn bv de bloedsomloop, het zenuwstelsel de stofwisseling en de functies van organen.
Het is niet zo dat alle functies zijn geëvolueerd in de volgorde die de tijdsbalk aangeeft, daarom het +- teken. De psychische functies zijn bv niet na alle fysische geëvolueerd.
Uit de evolutieleer volgt dat het bestaan van levende organismen verklaard kan worden door toevallige gebeurtenissen in combinatie met natuurwetten.
Het onderscheid tussen niet organische moleculen en levende organismen is dat de laatsten beschikken over functies die per definitie functioneren, wat neerkomt op het aanzetten tot acties.
De levenswil is eigen aan alle organismen en de eerste in een reeks die toeneemt in de mate dat de complexiteit van het organisme toeneemt. Zie voor meer info hierover het diagram ‘Evolutie van functies’.
De huidige wetenschap kan het fysisch voelen enkel fysiologisch vaststellen aan de hand van de hersenactiviteit die er een gevolg van is, en dus enkel bij dieren met hersenen.
Willen kan als fysiologisch fenomeen niet worden vastgesteld, voor meer info zie begripfysiologie. Wat wetenschappelijk kan worden vastgesteld is functie van de stand van de wetenschap en kan uiteraard in de toekomst toenemen.